verb
vinden
A1
„finden” betekent „vinden” en ook „vinden dat / van mening zijn” (ich finde das gut). Het is een sterk onregelmatig werkwoord: finde – fand – gefunden. In het perfect gebruikt het haben. Niet wederkerig; typische combinaties: etwas/jemanden finden.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Sie fanden den Schlüssel, nachdem sie die Tasche noch einmal durchsuchten und unter dem Mantel schauten.
Ze vonden de sleutel nadat ze de tas nog eens hadden doorzocht en onder de jas hadden gekeken.
Ich finde meinen Schlüssel nicht.
Ik kan mijn sleutel niet vinden.
Hast du eine Stelle gefunden?
Heb je een baan gevonden?
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
stel je voor dat je een verloren sleutel ontdekt en roept: «Ik heb hem gevonden!» — «finden» = vinden
zoals Engels «find» — heel vergelijkbaar
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Sterk werkwoord (finden — fand — gefunden). Vaak gebruikt in veel contexten.