noun
ding, voorwerp
A2
Ding (das Ding) betekent algemeen ‘ding’, ‘zaak’ of ‘voorwerp’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Ding; meervoud: die Dinge. Het kan iets concreets of abstracts aanduiden. Regelmatige verbuiging; datief meervoud: den Dingen. Heel vaak in spreektaal.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das ist ein komisches Ding.
Dat is een vreemd ding.
Was ist dieses Ding auf dem Tisch?
Wat is dat ding op de tafel?
Das ist ein nützliches technisches Ding.
Dat is een handig technisch apparaat.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een algemeen voorwerp voor met het label ‘Ding’.
Klinkt als Engels ‘ding’ (bel) — een klein voorwerp dat aan een bel doet denken.
Das Ding — onzijdig: ‘das Ding’ (denk aan ‘das’ als ‘the thing’).