verb
opleiden, trainen, vormen
B1
ausbilden betekent ‘opleiden’, ‘trainen’ of ‘vormen’. Het is een scheidbaar werkwoord: aus-bilden. Zwak, niet-reflexief en met haben in het Perfekt; voltooid deelwoord: ausgebildet. Vooral veel gebruikt in beroepsopleidingen: jemanden ausbilden, ausgebildet werden.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Firma bildete neue Lehrlinge aus, damit sie nach der Ausbildung eigenständig arbeiten konnten.
Het bedrijf leidde nieuwe leerlingen op, zodat zij na de opleiding zelfstandig konden werken.
Die Firma will neue Mitarbeiter ausbilden.
Het bedrijf wil nieuwe medewerkers opleiden.
Er wurde zum Tischler ausgebildet.
Hij werd opgeleid tot timmerman.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Imagine a small workshop where someone 'builds' skills from the outside (aus- = out), so they 'build out' a person
Sounds like 'house-build-in' compressed: aus-BUILD-en → train/build skills
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Een scheidbaar werkwoord: het voorvoegsel «aus-» scheidt zich af in de persoonsvormen (ich bilde aus). Vaak gebruikt in de context van beroepsopleiding of vakopleiding (eine Ausbildung).