noun
doel, bestemming, nut
B1
Zweck (m.) betekent ‘doel’, ‘bedoeling’ of ‘functie’. Meervoud: Zwecke. Genitief enkelvoud: des Zwecks. Veelgebruikte uitdrukking: zu dem Zweck / zum Zweck = ‘met het doel om’. Mannelijk zelfstandig naamwoord met gewone verbuiging; vaak in formele en alledaagse taal.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Zweck dieses Meetings ist, das Budget zu besprechen.
Het doel van deze vergadering is om het budget te bespreken.
Die Kommission erklärte den Zweck des Projekts, damit die Öffentlichkeit den Nutzen verstehen konnte.
De commissie legde het doel van het project uit, zodat het publiek het nut kon begrijpen.
Was ist der Zweck?
Wat is het doel?
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een doelwit voor met een grote 'Z' in de roos: die Z staat voor 'Zweck' (doel).
Denk aan het Engelse 'check' — een doel of taak die je afvinkt.
DER Zweck — stel je een stevige stempel 'DER' op het doelwit voor om het mannelijke geslacht te onthouden.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Veelgebruikt abstract zelfstandig naamwoord in zowel formele als informele contexten. De genitief enkelvoud krijgt vaak -s (des Zwecks).