adjective
weinig, een paar, klein
A1
wenig betekent ‘weinig’: voor een onmeetbare hoeveelheid, of ‘weinig/weinige’ afhankelijk van de context. Vergelijkend: weniger, overtreffend: am wenigsten. Gebruik wenig bij niet-telbare zelfstandige naamwoorden en wenige bij telbare meervouden. Ook adverbiaal.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Nur wenige Gäste sind gekommen.
Er zijn maar weinig gasten gekomen.
Obwohl wenig Zeit blieb, erledigte das Team die wichtigsten Aufgaben, sodass das Projekt rechtzeitig beendet wurde.
Hoewel er weinig tijd overbleef, voltooide het team de belangrijkste taken, zodat het project op tijd werd afgerond.
Ich habe wenig Zeit.
Ik heb weinig tijd.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een klein stukje taart voor met een piepklein vlaggetje met «wenig» — heel weinig.
Klinkt een beetje als «wenny» — denk aan «een klein beetje».
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Gebruik « wenig » bij niet-telbare zelfstandige naamwoorden (wenig Wasser) en « wenige » bij telbare meervoudsvormen (wenige Leute).