träumen

verb
dromen, dagdromen
A2

träumen is een regelmatig werkwoord dat „dromen” betekent, zowel tijdens de slaap als in de zin van dagdromen. In de voltooide tijd gebruikt het haben: ich habe geträumt. Veelgebruikte constructie: träumen von + datief.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Während der langweiligen Vorlesung fing er an zu träumen.
Tijdens de saaie lezing begon hij te dagdromen.
Ich habe schlecht geträumt.
Ik heb slecht gedroomd.
Ich träume oft von Reisen.
Ik droom vaak van reizen.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYhaben
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.YES
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEweak

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es träumt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es träumte
Perfekter/sie/es hat geträumt

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je iemand voor met gesloten ogen die scènes bedenkt, met een denkballon
👂klinkt als ‘tram - ooh men’ — stel je voor dat je droomt in een tram

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Regelmatig zwak werkwoord. Kan met «von» worden gebruikt om het object van de droom aan te geven (träumen von). Opmerking: «träumen» laat geen persoonlijke lijdende vorm toe; gebruik indien nodig onpersoonlijke constructies (bijv. «Es wurde geträumt» in zeldzame contexten). | Persoonlijke passieve vormen zijn niet van toepassing; gebruik waar nodig het onpersoonlijk passief.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichträume
duträumst
er/sie/esträumt
wirträumen
ihrträumt
sie/Sieträumen
ichträume
duträumest
er/sie/esträume
wirträumen
ihrträumet
sie/Sieträumen
ichwürde träumen
duwürdest träumen
er/sie/eswürde träumen
wirwürden träumen
ihrwürdet träumen
sie/Siewürden träumen
duTräume!
ihrTräumt!
SieTräumen!