noun
afspraak, deadline
A1
Termin betekent ‘afspraak’, ‘tijdstip’ of ‘deadline’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Termin, meervoud Termine. Regelmatige verbuiging: des Termins, dem Termin. Vaak met vereinbaren, verschieben of absagen, voor afspraken, vergaderingen en termijnen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich habe morgen einen Termin beim Arzt.
Ik heb morgen een afspraak bij de dokter.
Ich habe morgen einen wichtigen Termin beim Arzt.
Ik heb morgen een belangrijke afspraak bij de dokter.
Die Patientin fragte, ob sie einen früheren Termin bekommen würde, weil ihre Beschwerden schlimmer wurden.
De patiënte vroeg of ze een eerdere afspraak kon krijgen, omdat haar klachten erger werden.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een kalender voor met een omcirkelde datum en het label «Termin».
Denk aan het Engelse «term» — een afgesproken tijd of deadline.
der Termin — stel je een mannelijk ogend kalendericoon voor met «der» erop.