Termin

noun
afspraak, deadline
A1

Termin betekent ‘afspraak’, ‘tijdstip’ of ‘deadline’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Termin, meervoud Termine. Regelmatige verbuiging: des Termins, dem Termin. Vaak met vereinbaren, verschieben of absagen, voor afspraken, vergaderingen en termijnen.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Ich habe morgen einen Termin beim Arzt.
Ik heb morgen een afspraak bij de dokter.
Ich habe morgen einen wichtigen Termin beim Arzt.
Ik heb morgen een belangrijke afspraak bij de dokter.
Die Patientin fragte, ob sie einen früheren Termin bekommen würde, weil ihre Beschwerden schlimmer wurden.
De patiënte vroeg of ze een eerdere afspraak kon krijgen, omdat haar klachten erger werden.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALTermine

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Termindie Termine
genitivedes Terminsder Termine
dativedem Terminden Terminen
accusativeden Termindie Termine

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een kalender voor met een omcirkelde datum en het label «Termin».
👂Denk aan het Engelse «term» — een afgesproken tijd of deadline.
⚧️der Termin — stel je een mannelijk ogend kalendericoon voor met «der» erop.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS