noun
systeem
B1
System (o.) betekent ‘systeem’: een georganiseerde structuur, opbouw of technisch geheel. Meervoud: Systeme. Genitief: des Systems. Veel gebruikt in techniek, wetenschap en maatschappelijke analyses. Neutraal zelfstandig naamwoord met regelmatige verbuiging.
Voorbeelden
Das System funktioniert nicht richtig.
Het systeem werkt niet goed.
Die Daten wurden aus dem alten System übernommen, damit die Arbeit schneller fortgesetzt werden konnte.
De gegevens zijn overgenomen uit het oude systeem, zodat het werk sneller kon worden voortgezet.
Das politische System in Deutschland ist eine Demokratie.
Het politieke systeem in Duitsland is een democratie.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je in elkaar grijpende tandwielen voor in een machine die samen één geheel vormen.
Klinkt als het Engelse „system”.
Onzijdig „das” — stel je een systeem voor als een neutrale bedieningskast met het label „das System”.
Opmerkingen
Meervoud: „Systeme”. Gebruikt in technische, organisatorische en sociale contexten (computersystemen, politieke systemen, enz.).