Station

noun
station
B1

Station is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: ‘station’, ‘halte’, ‘afdeling’ of ‘post’. Meervoud: Stationen. Het woord komt veel voor in vervoer, geneeskunde en dienstverlening. Gewone verbuiging; voor plaatsaanduiding vaak met in of auf.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Verletzte wurde in die nächste Station gebracht, nachdem der Notarzt die Wunde versorgte.
De gewonde werd naar de volgende afdeling gebracht nadat de spoedarts de wond had verzorgd.
Die nächste Station ist der Hauptbahnhof.
Het volgende station is het centraal station.
Die Station ist nur fünf Minuten vom Hotel entfernt.
Het station is maar vijf minuten van het hotel.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALStationen

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativedie Stationdie Stationen
genitiveder Stationder Stationen
dativeder Stationden Stationen
accusativedie Stationdie Stationen

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een station voor met een groot bord ‘Station’.
👂Klinkt als het Engelse ‘station’.
⚧️Die = vrouwelijk: stel je het station voor met een vrouwelijke vlag en het bord ‘die Station’.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Vaak gebruikt voor haltes van trein/bus/metro; meervoud: Stationen.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS