noun
semester, studieperiode
B1
Semester betekent semester of studieperiode. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Semester, meervoud Semester. Het meervoud blijft gelijk in nominatief en accusatief, maar krijgt in andere naamvallen wel uitgangen. Veelgebruikt aan universiteit en op school.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Wintersemester beginnt im Oktober.
Het wintersemester begint in oktober.
Die Studentengruppe kündigte an, dass sie das Semester abbrechen würde, wenn die Prüfungen zu schwierig wären.
De studentengroep kondigde aan dat ze het semester zouden afbreken als de examens te moeilijk waren.
Dieses Semester habe ich drei Prüfungen.
Dit semester heb ik drie examens.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een pagina van een universiteitskalender voor met het stempel ‘Semester’ dat de academische periode markeert
klinkt als het Engelse ‘semester’ — heel vergelijkbare uitspraak en betekenis.
das (onzijdig) — stel je het semester voor als een neutraal blok tijd, een kalenderstreep zonder geslacht.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
In het Duits is «Semester» (das) onzijdig en blijft het in het meervoud vaak dezelfde vorm houden: die Semester. Het verwijst naar een academisch semester of halfjaar aan de universiteit.