noun
schuld, schuldgevoel, schuld
B1
Schuld (v.) heeft twee hoofdbetekenissen: ‘schuld / blaam’ en ‘schuld’ in financiële zin, meestal in het meervoud Schulden. Meervoud: Schulden. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord; genitief enkelvoud: der Schuld, datief meervoud: den Schulden.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Gericht erkannte die Schuld nicht an, obwohl mehrere Zeugen belastende Aussagen gemacht hatten.
De rechtbank erkende de schuld niet, hoewel meerdere getuigen belastende verklaringen hadden afgelegd.
Die Schuld an dem Unfall war nicht eindeutig feststellbar.
De schuld aan het ongeluk was niet eenduidig vast te stellen.
Nach dem Studium hatte er viele Schulden.
Na zijn studie had hij veel schulden.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een zware weegschaal voor die naar beneden helt met aan één kant het label «Schuld».
Klinkt als «should» + «d» — denk aan een should die fout ging (schuld).
Die Schuld — denk aan «die» als «de dame» om te onthouden dat het vrouwelijk is (die).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Schuld kan abstracte «schuld» betekenen (meestal niet-telbaar) of «schuld/debt» (vaak meervoud: Schulden). De context bepaalt de betekenis.