Schrank

noun
kast, kledingkast
A1

Schrank is een mannelijk zelfstandig naamwoord: ‘kast’ of ‘kleerkast’. Meervoud: Schränke, met umlaut en -e. Verbuiging: der Schrank, den Schrank, dem Schrank, des Schranks. Veelgebruikt woord voor meubels, ook in samenstellingen zoals Kleiderschrank.

Voorbeelden

Die Eltern stellten die Kartons in den Schrank, weil dort noch Platz war.
De ouders zetten de dozen in de kast, omdat daar nog ruimte was.
Meine Kleider hängen im Schrank.
Mijn kleren hangen in de kast.
Im Schrank hängt eine Jacke.
In de kast hangt een jas.

Details

MeervoudSchränke

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Schrankdie Schränke
genitivedes Schranksder Schränke
dativedem Schrankden Schränken
accusativeden Schrankdie Schränke

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een kast voor met een bordje „S” voor Schrank.
⚧️der — stel je een groot label „der” voor op een zware houten kast

Opmerkingen

Meervoud vaak «Schränke».

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek