noun
kast, kledingkast
A1
Schrank is een mannelijk zelfstandig naamwoord: ‘kast’ of ‘kleerkast’. Meervoud: Schränke, met umlaut en -e. Verbuiging: der Schrank, den Schrank, dem Schrank, des Schranks. Veelgebruikt woord voor meubels, ook in samenstellingen zoals Kleiderschrank.
Voorbeelden
Die Eltern stellten die Kartons in den Schrank, weil dort noch Platz war.
De ouders zetten de dozen in de kast, omdat daar nog ruimte was.
Meine Kleider hängen im Schrank.
Mijn kleren hangen in de kast.
Im Schrank hängt eine Jacke.
In de kast hangt een jas.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kast voor met een bordje „S” voor Schrank.
der — stel je een groot label „der” voor op een zware houten kast
Opmerkingen
Meervoud vaak «Schränke».