noun
rest, overblijfsel
A2
Mannelijk zelfstandig naamwoord: ‘rest’, ‘overblijfsel’ of ‘het resterende deel’. Meervoud: die Reste. Regelmatige verbuiging. Gebruikt in het dagelijks leven en in de wiskunde, bijvoorbeeld als rest bij een deling.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Den Rest erledigen wir morgen.
De rest doen we morgen.
Weil niemand den Rest kaufen wollte, verschenkte der Verkäufer ihn an eine lokale Tafel, damit die Lebensmittel nicht weggeschmissen wurden.
Omdat niemand de rest wilde kopen, gaf de verkoper het aan een lokale voedselbank, zodat het voedsel niet werd weggegooid.
Ich möchte den Rest behalten.
Ik wil de rest houden.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je het overgebleven stuk cake op een bord voor — dat is de Rest.
der Rest — stel je een overgebleven kruimel op een stevig bord voor (der).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Meervoud ‘Reste’. Veelgebruikt in alledaagse contexten om aan te geven wat overblijft.