adjective
rijk, welvarend, vermogend
A2
reich is een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis „rijk” of „welvarend”. Het is trapbaar: reicher, am reichsten. Tegenwoord: arm. Het kan ook „rijk aan” of „overvloedig” betekenen, bijvoorbeeld bij inhoud, smaak of variatie. Gewone bijvoeglijke verbuiging.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Land ist reich an Bodenschätzen.
Het land is rijk aan natuurlijke hulpbronnen.
Die Erbin wirkte reich, als sie die Villa betrat, obwohl sie im Gespräch bescheiden blieb.
De erfgename zag er rijk uit toen ze de villa binnenkwam, hoewel ze in het gesprek bescheiden bleef.
Er ist ein sehr reicher Mann.
Hij is een zeer rijke man.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
stel je een schatkist voor wanneer je ‘reich’ hoort
klinkt als Engels ‘rich’
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Vergelijkbaar bijvoeglijk naamwoord. Kan ook in samenstellingen worden gebruikt (bijv. ‘ein reiches Erbe’).