verb
rekenen, uitrekenen
A2
rechnen betekent ‘rekenen’, ‘uitrekenen’ of ‘berekenen’. Het is een zwak, regelmatig werkwoord met haben in het perfekt: hat gerechnet. Het is niet wederkerig en niet scheidbaar. Je gebruikt het voor wiskunde, schattingen en ook figuurlijk: mit etwas rechnen (‘rekening houden met’).
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich rechne die Zahlen zusammen.
Ik tel de getallen bij elkaar op.
Kannst du bitte für mich rechnen?
Kun je alsjeblieft voor mij rekenen?
Er rechnete schnell.
Hij rekende snel.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die een rekenmachine gebruikt en zegt: ‘ik reken’.
Klinkt als het Engelse «reckon» — beide betekenen rekenen.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Regelmatig zwak werkwoord dat wordt gebruikt voor rekenen of figuurlijk voor ‘veronderstellen’ / ‘inschatten’.