noun
publiek, auditorium
B1
Publikum betekent ‘publiek’, ‘auditorium’ of ‘toeschouwers’. Het is een onzijdig collectief zelfstandig naamwoord: das Publikum. Het meervoud is zeldzaam en ongewoon: Publika; vaak blijft de vorm onveranderd. Verbuiging: das Publikum, des Publikums. Veel gebruikt in theater, media en lezingen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Publikum klatschte am Ende der Vorstellung begeistert.
Het publiek applaudisseerde enthousiast aan het einde van de voorstelling.
Das Publikum applaudierte begeistert nach der Vorstellung.
Het publiek applaudisseerde enthousiast na de voorstelling.
Ein großes Publikum interessierte sich für die Diskussion.
Een groot publiek was geïnteresseerd in de discussie.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een menigte voor voor een podium met het label ‘Publikum’.
Denk aan ‘public - Publikum’ (vergelijkbare wortels).
das = als een neutrale container; stel je een neutraal bord boven de menigte voor.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Verzamelnaamwoord dat meestal in het enkelvoud wordt gebruikt (das Publikum). Meervoudsvormen zijn zeldzaam; soms wordt ‘Publika’ gebruikt in academische contexten.