noun
examen, toets
A1
Prüfung is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent „examen”, „toets” of „controle”. Meervoud: Prüfungen. Veelgebruikte uitdrukkingen zijn eine Prüfung ablegen = een examen afleggen en eine Prüfung bestehen = slagen voor een examen. Vaak op school, universiteit en bij certificaten.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Morgen habe ich eine wichtige Prüfung in Deutsch.
Morgen heb ik een belangrijk examen Duits.
Die Prüfung ist morgen.
Het examen is morgen.
Der Student bestand die Prüfung nicht, obwohl er viel lernte.
De student slaagde niet voor het examen, hoewel hij veel had gestudeerd.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
stel je een student voor aan een bureau met een grote stempel «Prüfung» op het papier
klinkt als het Engelse «proof» (Prüfung → proofing → controle)
Die Prüfung — stel je een vrouwelijke lerares voor die het examen uitdeelt (die)
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Veelgebruikt in school- en universitaire contexten. «Prüfung» kan zowel mondelinge als schriftelijke examens aanduiden.