adjective
mager, schraal, karig
B1
mager betekent ‘mager’, ‘weinig vet’ of figuurlijk ‘karig, schraal’. Het is een bijvoeglijk naamwoord dat je kunt vergelijken: magerer, am magersten. Tegenstelling: fett. Vaak met een licht negatieve bijklank.
Voorbeelden
Sein Gehalt ist leider ziemlich mager.
Zijn salaris is helaas vrij mager.
Dieses Fleisch ist sehr mager.
Dit vlees is erg mager.
Obwohl das Fleisch mager war, servierte der Koch es mit einer reichhaltigen Soße, damit die Gäste zufrieden waren.
Hoewel het vlees mager was, serveerde de kok het met een rijke saus zodat de gasten tevreden waren.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een heel mager stuk vlees voor met bijna geen vet om «mager» te onthouden.
Klinkt een beetje als het Engelse «major», maar denk aan «mah-ger» als dun / vetarm.
Opmerkingen
Vaak gebruikt voor voedsel (weinig vet) of om iets onvoldoende aan te duiden (karig). Vergrotende trap: «magerer», overtreffende trap: «am magersten».