noun
gat, opening, hol
B1
Loch is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent „gat”, „opening” of „holte”. Meervoud: Löcher, met umlaut. Je zegt das Loch; genitief enkelvoud: des Lochs. Veel gebruikt voor een gat in een muur, kleding of voorwerp. Regelmatige verbuiging, met klinkerverandering in het meervoud.
Voorbeelden
Es ist ein großes Loch im Reifen, wir müssen es reparieren.
Er zit een groot gat in de band, we moeten het repareren.
Ich habe ein Loch.
Ik heb een gat.
Der Arbeiter deckte das Loch ab, nachdem der Regen aufgehört hatte.
De arbeider bedekte het gat nadat de regen was gestopt.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een donut voor met een groot ‘Loch’ in het midden.
Klinkt als ‘lock’, maar stel je een ontbrekend slot voor = een gat.
Das Loch — visualiseer een neutraal object (een gat) als ‘das’.
Opmerkingen
Loch is een veelvoorkomend onzijdig zelfstandig naamwoord dat gat of opening betekent; het meervoud is onregelmatig (Löcher).