noun
aardappel
A1
Kartoffel betekent „aardappel”. Vrouwelijk: die Kartoffel, meervoud die Kartoffeln. Regelmatige verbuiging: der Kartoffel, den Kartoffeln. Heel gewoon woord voor een basisvoedingsmiddel dat in veel gerechten voorkomt. Meervoud op -n, zonder klinkerwisseling.
Voorbeelden
Wir essen heute Kartoffeln.
We eten vandaag aardappelen.
Als Beilage gibt es heute Salzkartoffeln.
Vandaag zijn er gekookte aardappelen als bijgerecht.
Der Bauer lagerte Kartoffeln in der Scheune, damit sie nicht im Regen verfaulten.
De boer bewaarde aardappelen in de schuur zodat ze niet in de regen zouden rotten.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je een stapel aardappelen voor met een sticker ‘die Kartoffel’
denk aan ‘car-toff-el’ — als ‘potato’ om de aardappel te onthouden
Opmerkingen
Vrouwelijk zelfstandig naamwoord; meervoud meestal Kartoffeln.