verb
halen, gaan halen, ophalen
A1
holen betekent „gaan halen”, „brengen” of „ophalen”. Het is een regelmatig zwak werkwoord, niet wederkerig en niet scheidbaar. In de voltooide tijd gebruikt het haben: hat geholt. Veelgebruikt in alledaags Duits: Ich hole dich morgen = „ik haal je morgen op”.
Voorbeelden
Ich hole Wasser.
Ik ga water halen.
Er holte die Zeitung.
Hij haalde de krant.
Ich muss noch Wasser aus dem Keller holen.
Ik moet nog water uit de kelder halen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je naar de keuken gaat en terugkomt met iets dat je ‘holen’ — halen.
Klinkt als het Engelse ‘holen’ ~ ‘hold in’ (stel je voor dat je iets vasthoudt om het te halen).
n/a