holen

verb
halen, gaan halen, ophalen
A1

holen betekent „gaan halen”, „brengen” of „ophalen”. Het is een regelmatig zwak werkwoord, niet wederkerig en niet scheidbaar. In de voltooide tijd gebruikt het haben: hat geholt. Veelgebruikt in alledaags Duits: Ich hole dich morgen = „ik haal je morgen op”.

Voorbeelden

Ich hole Wasser.
Ik ga water halen.
Er holte die Zeitung.
Hij haalde de krant.
Ich muss noch Wasser aus dem Keller holen.
Ik moet nog water uit de kelder halen.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es holt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es holte
Perfekter/sie/es hat geholt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je voor dat je naar de keuken gaat en terugkomt met iets dat je ‘holen’ — halen.
👂Klinkt als het Engelse ‘holen’ ~ ‘hold in’ (stel je voor dat je iets vasthoudt om het te halen).
⚧️n/a

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichhole
duholst
er/sie/esholt
wirholen
ihrholt
sie/Sieholen
ichwerde geholt
duwirst geholt
er/sie/eswird geholt
wirwerden geholt
ihrwerdet geholt
sie/Siewerden geholt
ichhole
duholest
er/sie/eshole
wirholen
ihrholt
sie/Sieholen
ichwerde geholt
duwerdest geholt
er/sie/eswerde geholt
wirwerden geholt
ihrwerdet geholt
sie/Siewerden geholt
ichwürde holen
duwürdest holen
er/sie/eswürde holen
wirwürden holen
ihrwürdet holen
sie/Siewürden holen
ichwürde geholt werden
duwürdest geholt werden
er/sie/eswürde geholt werden
wirwürden geholt werden
ihrwürdet geholt werden
sie/Siewürden geholt werden
duHol!
ihrHolt!
SieHolen!