noun
gras
B1
Gras is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent ‘gras’ of ‘gazon’. In het enkelvoud is het vaak een stofnaam; het meervoud die Gräser duidt losse grassprieten of grassoorten aan. Meervoud met umlaut. Genitief enkelvoud: des Grases.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Gras ist grün.
Het gras is groen.
Die Kinder liefen über das Gras, das nach dem Regen noch feucht war, sodass die Eltern sich Sorgen machten.
De kinderen renden over het gras, dat na de regen nog vochtig was, zodat de ouders zich zorgen maakten.
Das Gras im Park ist heute sehr nass.
Het gras in het park is vandaag erg nat.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
stel je een groen gazon voor met grassprieten
lijkt op het Engelse ‘grass’
onzijdig ‘das’ — denk aan ‘das Gras’ (het gazon)
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Wordt vaak gebruikt als verzamelnaam. Wanneer men afzonderlijke sprieten of soorten bedoelt, wordt het meervoud ‘Gräser’ gebruikt.