noun
gram
A1
Gramm betekent de maateenheid ‘gram’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Gramm. Het meervoud blijft gelijk: Gramm. In de genitief enkelvoud zie je vaak des Gramms. Gebruik het met getallen: zwei Gramm.
Voorbeelden
Ich hätte gerne 200 Gramm von diesem Käse.
Ik zou graag 200 gram van deze kaas willen.
Der Koch reduzierte das Mehl um 50 Gramm, weil das Rezept zu trocken wirkte.
De kok verminderde de hoeveelheid bloem met 50 gram, omdat het recept te droog leek.
Bitte 200 Gramm Mehl in die Schüssel geben.
Doe alstublieft 200 gram bloem in de kom.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kleine keukenweegschaal voor die grammen meet.
gramm ~ het Engelse ‘gram’.
das Gramm — denk aan een neutrale eenheid: das.
Opmerkingen
Eenheid van gewicht. Vaak gebruikt zonder meervoudsuitgang (massanaamwoord), maar het meervoud ‘Gramm’ komt vaak voor.