noun
god
B1
Gott betekent „God” of „godheid”. Mannelijk: der Gott, meervoud die Götter. Verbuiging: des Gottes, dem Gott. Het meervoud is onregelmatig met umlaut. Veelgebruikt in religieuze en vaste uitdrukkingen. Als zelfstandig naamwoord met hoofdletter.
Voorbeelden
Gott sei Dank.
Godzijdank.
Der Pfarrer erwähnte Gott, als er die Kerzen entzündete, damit die Gemeinde beten konnte.
De priester noemde God toen hij de kaarsen aanstak, zodat de gemeente kon bidden.
Viele Menschen beten zu Gott.
Veel mensen bidden tot God.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je een enkele figuur op een heuvel voor met licht eromheen — een centrale godheid
klinkt als Engels ‘God’ (in veel contexten dezelfde uitspraak)
mannelijk ‘der’ — denk aan ‘der Gott’ als de traditionele vorm
Opmerkingen
Verwijst naar een godheid; met hoofdletter als zelfstandig naamwoord. Het meervoud ‘Götter’ verwijst naar meerdere goden (polytheïstische contexten).