Gott

noun
god
B1

Gott betekent „God” of „godheid”. Mannelijk: der Gott, meervoud die Götter. Verbuiging: des Gottes, dem Gott. Het meervoud is onregelmatig met umlaut. Veelgebruikt in religieuze en vaste uitdrukkingen. Als zelfstandig naamwoord met hoofdletter.

Voorbeelden

Gott sei Dank.
Godzijdank.
Der Pfarrer erwähnte Gott, als er die Kerzen entzündete, damit die Gemeinde beten konnte.
De priester noemde God toen hij de kaarsen aanstak, zodat de gemeente kon bidden.
Viele Menschen beten zu Gott.
Veel mensen bidden tot God.

Details

Meervouddie Götter

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Gottdie Götter
genitivedes Gottesder Götter
dativedem Gottden Göttern
accusativeden Gottdie Götter

Ezelsbruggetjes

👁️stel je een enkele figuur op een heuvel voor met licht eromheen — een centrale godheid
👂klinkt als Engels ‘God’ (in veel contexten dezelfde uitspraak)
⚧️mannelijk ‘der’ — denk aan ‘der Gott’ als de traditionele vorm

Opmerkingen

Verwijst naar een godheid; met hoofdletter als zelfstandig naamwoord. Het meervoud ‘Götter’ verwijst naar meerdere goden (polytheïstische contexten).

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek