noun
winst, opbrengst, prijs
B1
Gewinn (de Gewinn) betekent ‘winst’, ‘opbrengst’ of ‘prijs’, vooral in zaken, financiën en kansspelen. Meervoud: die Gewinne. Genitief enkelvoud: des Gewinns. Veelgebruikt in boekhouding, belastingen en alledaagse taal.
Voorbeelden
Das Unternehmen machte im letzten Jahr einen hohen Gewinn.
Het bedrijf maakte vorig jaar een hoge winst.
Ich habe einen Gewinn erzielt.
Ik heb winst gemaakt.
Das Unternehmen reduzierte die Produktionskosten, sodass der Gewinn trotz niedriger Nachfrage stieg.
Het bedrijf verlaagde de productiekosten, zodat de winst steeg ondanks de lage vraag.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een trofee voor met een prijskaartje erop met ‘Gewinn’ (winst/prijzen).
Klinkt als het Engelse ‘win’ — denk aan geld winnen.
der — denk aan ‘der Gewinner’ (de winnaar) → Gewinn (mannelijk)
Opmerkingen
Gewinn wordt gebruikt voor geldelijke winst, abstracte baten of loterijwinst. Het meervoud hangt af van de context (‘die Gewinne’ voor meerdere winsten/prijzen).