adverb
een keer, éénmaal
A2
ein Mal betekent ‘een keer’ of ‘éénmaal’. Als bijwoordelijke uitdrukking wordt het vaak aaneengeschreven: einmal. De vorm is onveranderlijk en duidt op één enkele gebeurtenis. Veelgebruikt in spreek- en schrijftaal.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich war nur einmal in Berlin.
Ik ben maar één keer in Berlijn geweest.
Der Arzt untersuchte den Patienten ein Mal, bevor er weitere Tests anordnete.
De arts onderzocht de patiënt één keer voordat hij verdere tests liet uitvoeren.
Mach das nur ein Mal, bitte.
Doe dat maar één keer, alsjeblieft.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat je één keer een vakje aanvinkt en er ‘1×’ naast schrijft
ein = één, Mal = keer → één keer