dienen

verb
dienen, van dienst zijn
B1

dienen betekent „dienen”, „van nut zijn” of „dienst doen voor iemand”. Het is een regelmatig zwak werkwoord met haben in het perfectum: hat gedient. Het regeert de datief (jemandem dienen) en komt vaak voor met als („dienen als”) of met zu + infinitief om een doel aan te geven.

Voorbeelden

Der alte Brunnen diente als Treffpunkt, obwohl er schon lange repariert werden musste, sodass die Stadt schließlich Handwerker beauftragte.
De oude fontein diende als ontmoetingsplaats, hoewel hij al lange tijd gerepareerd moest worden, zodat de stad uiteindelijk vaklieden inhuurde.
Das hat einem guten Zweck gedient.
Dat diende een goed doel.
Er diente seinem Land.
Hij diende zijn land.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es dient
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es diente
Perfekter/sie/es hat gedient

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die borden uitdeelt tijdens het eten en steeds anderen «dient».
👂Klinkt als «dean» — stel je een decaan voor die de studenten dient.

Opmerkingen

«Dienen» is afhankelijk van de context meestal transitief/intransitief («jemandem dienen» = iemand dienen). In formele contexten kan het betekenen dat men een zaak of instelling dient. De lijdende vorm is niet van toepassing, omdat «dienen» meestal intransitief is (met datief) en geen gewone passieve vorm heeft.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichdiene
dudienst
er/sie/esdient
wirdienen
ihrdient
sie/Siedienen
ichdiene
dudienest
er/sie/esdiene
wirdienen
ihrdienet
sie/Siedienen
ichdiente
dudientest
er/sie/esdiente
wirdienten
ihrdientet
sie/Siedienten
dudiene
ihrdient
Siedienen!