adjective
wild, ongetemd
B1
wild is een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis “wild” of “ongetemd”, voor dieren, natuur of gedrag. Vergelijking: wilder, overtreffende trap: am wildesten. Tegenstelling: zahm. Normale bijvoeglijke verbuiging; ook figuurlijk gebruikt.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Fluss war wild nach dem Gewitter.
De rivier was wild na het onweer.
Der junge Hirsch sprang wild durch das Unterholz, weil er vom Auto erschreckt worden war.
De jonge hert sprong wild door het struikgewas omdat het was geschrokken van de auto.
Die Pferde liefen wild über die Weide.
De paarden renden wild over de weide.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een wild dier voor dat door een hek breekt — het beeld versterkt ‘wild’.
Klinkt als het Engelse ‘wild’ — dezelfde betekenis en klank.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Kan predicatief gebruikt worden (ist wild) of attributief (ein wildes Tier — let op de bijvoeglijke naamwoorduitgangen). Ook figuurlijk gebruikt (eine wilde Idee = een gek idee).