verb
verzekeren, verzekeren tegen, verzekeren dat, verzekeren van
B1
versichern betekent ‘verzekeren’, maar ook ‘iemand geruststellen/verzekeren dat…’. Het is een regelmatig werkwoord: voltooid deelwoord versichert, met haben in de voltooide tijden. Kan ook reflexief zijn: sich versichern = zich ervan vergewissen, controleren. Vaak in formele en verzekeringscontext.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er versichert mir, dass alles in Ordnung ist.
Hij verzekert me dat alles in orde is.
Ich habe mich versichert.
Ik heb me ervan verzekerd.
Der Manager versicherte den Mitarbeitern, dass die Gehälter pünktlich gezahlt würden, nachdem die Buchhaltung alles geprüft hatte.
De manager verzekerde de werknemers dat de salarissen op tijd zouden worden betaald nadat de boekhouding alles had gecontroleerd.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een handdruk voor en iemand die knikt terwijl hij zegt: ‘Ik verzeker je’, of het ondertekenen van een verzekeringspolis.
Klinkt als «verse-shirk-en» — stel je iemand voor die je steeds opnieuw geruststelt.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Kan wederkerig gebruikt worden: «sich versichern» = zich ervan verzekeren, controleren. Zonder wederkerigheid betekent het vaak verzekeren of garanderen.