noun
poort, doelpunt
B1
Tor is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Tor, meervoud die Tore. Betekent een poort, toegang of in de sport een doelpunt. Regelmatige verbuiging: des Tores. De context bepaalt de betekenis. Vaak in samenstellingen zoals Torwart of Torbogen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er schoss ein schönes Tor in der letzten Minute.
Hij scoorde in de laatste minuut een mooi doelpunt.
Der Stürmer erzielte ein Tor, weil der Verteidiger einen Fehler machte.
De aanvaller scoorde een doelpunt omdat de verdediger een fout maakte.
Das alte Tor zum Garten klemmt seit gestern.
De oude poort naar de tuin klemt sinds gisteren.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een grote poort voor met daarachter een voetbalnet (dus één woord kan zowel poort als doelpunt betekenen).
Klinkt als „tor” in het Engelse „tore” — stel je een gescheurd hek voor dat een poort onthult.
das — stel je een neutraal bord op de poort voor met simpelweg „das Tor” erop (onzijdig = neutraal bord).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
„Tor” kan een fysieke poort betekenen of een doelpunt in de sport (de context bepaalt de betekenis). Beide betekenissen komen vaak voor in het dagelijks Duits.