noun
dier
A2
Tier betekent ‘dier’, dus een levend wezen dat geen mens is. Onzijdig zelfstandig naamwoord: das Tier; meervoud: die Tiere. Regelmatige verbuiging, met vormen als des Tieres / der Tiere. Heel gebruikelijk voor huisdieren, wilde dieren en diersoorten.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Tier ist im Zoo.
Het dier is in de dierentuin.
Ich habe ein Haustier.
Ik heb een huisdier.
Die Familie adoptierte ein Tier, das aus dem Tierheim kam, nachdem sie lange überlegt hatte.
Het gezin adopteerde een dier uit het asiel nadat het er lang over had nagedacht.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je elk dier voor (hond/kat) wanneer je het woord ziet.
klinkt als Engels «tier» — stel je een tijger voor (Tier -> tiger)
das = onzijdig: stel je «het dier» voor als een neutraal wezen
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Meervoud: Tiere. Algemeen woord voor dieren.