noun
deel, stuk, onderdeel
A1
Teil betekent vooral „deel” of „stuk”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Teil, meervoud Teile. De genitief enkelvoud is des Teils. Veelgebruikt voor een onderdeel, segment of portie, en vaak in samenstellingen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Gib mir einen kleinen Teil des Kuchens.
Geef me een klein stukje van de taart.
Dieser Teil des Berichts ist sehr wichtig.
Dit deel van het rapport is erg belangrijk.
Die Designer sagten, dass man den neuen Abschnitt als Teil des Systems betrachtete, weil die Funktionen zusammenpassten.
De ontwerpers zeiden dat men het nieuwe onderdeel als deel van het systeem beschouwde, omdat de functies op elkaar aansloten.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een puzzel voor met één ontbrekend stukje met het label «Teil»
Teil → «tile» (een stukje van iets)
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Der Teil is het meest voorkomende geslacht in het Duits; das Teil is in sommige contexten ook mogelijk (vaak in de betekenis van «voorwerp» of «eenheid»).