Teil

noun
deel, stuk, onderdeel
A1

Teil betekent vooral „deel” of „stuk”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Teil, meervoud Teile. De genitief enkelvoud is des Teils. Veelgebruikt voor een onderdeel, segment of portie, en vaak in samenstellingen.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Gib mir einen kleinen Teil des Kuchens.
Geef me een klein stukje van de taart.
Dieser Teil des Berichts ist sehr wichtig.
Dit deel van het rapport is erg belangrijk.
Die Designer sagten, dass man den neuen Abschnitt als Teil des Systems betrachtete, weil die Funktionen zusammenpassten.
De ontwerpers zeiden dat men het nieuwe onderdeel als deel van het systeem beschouwde, omdat de functies op elkaar aansloten.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALTeile

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Teildie Teile
genitivedes Teilsder Teile
dativedem Teilden Teilen
accusativeden Teildie Teile

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een puzzel voor met één ontbrekend stukje met het label «Teil»
👂Teil → «tile» (een stukje van iets)

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Der Teil is het meest voorkomende geslacht in het Duits; das Teil is in sommige contexten ook mogelijk (vaak in de betekenis van «voorwerp» of «eenheid»).

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS