noun
stuk, deel, plak
A2
Stück is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent ‘stuk’, ‘deel’ of ‘portie’. Meervoud: Stücke. Vaak partitief gebruikt, bv. ein Stück Kuchen. Datief meervoud: den Stücken; genitief enkelvoud: des Stücks. Heel algemeen en veelzijdig woord.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Kann ich ein Stück Kuchen haben?
Kan ik een stuk cake krijgen?
Der Koch servierte ein Stück Kuchen, nachdem die Gäste sich über den langen Abend unterhalten hatten.
De kok serveerde een stuk cake nadat de gasten over de lange avond hadden gepraat.
Ich möchte ein Stück Kuchen.
Ik wil graag een stuk taart.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een stuk taart voor met het label «ein Stück».
Klinkt als het Engelse «stuck» — stel je een stuk voor dat aan je hand vastzit.
das — stel je een klein neutraal doosje voor met het label «das Stück».