noun
student, leerling
A1
Student betekent vooral ‘student’, meestal aan de universiteit, en soms ruimer ‘leerling’ of ‘deelnemer’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Student, meervoud die Studenten. Zwak naamwoord (n-declinatie): den Studenten, des Studenten.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Student lernt für seine Prüfung.
De student studeert voor zijn examen.
Der Student lernt für die Prüfung.
De student leert voor het examen.
Die Universität kündigte an, dass jedem Studenten ein Mentor zugeteilt wurde, weil viele Studenten Unterstützung benötigten.
De universiteit kondigde aan dat aan elke student een mentor was toegewezen, omdat veel studenten ondersteuning nodig hadden.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een student voor met een rugzak en boeken
der — stel je een mannelijke student voor op de eerste rij van de collegezaal
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Mannelijk zelfstandig naamwoord; het meervoud is meestal Studenten. Voor vrouwelijke studenten gebruik je Studentin.