regeln

verb
regelen, reguleren
B1

regeln betekent ‘regelen’, ‘reguleren’ of ‘instellen’. Het is een regelmatig, transitief werkwoord en vormt het perfect met haben: hat geregelt. Voltooid deelwoord: geregelt. Veel gebruikt in techniek, bestuur en recht.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Verein regelt in der Satzung die Mitgliedschaft.
De vereniging regelt het lidmaatschap in de statuten.
Er regelte die Angelegenheit.
Hij heeft de zaak geregeld.
Der Vorstand regelte die Arbeitszeiten, damit die Produktion pünktlich begann und die Mitarbeiter besser planten.
De raad van bestuur regelde de werktijden zodat de productie op tijd begon en de werknemers beter konden plannen.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYhaben
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.YES
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEweak

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es regelt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es regelte
Perfekter/sie/es hat geregelt

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een regelboek voor met de titel «Regeln» en een liniaal (rule) over de pagina.
👂Denk aan «regaal» — regels die een koninkrijk ordenen (reguleren).

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

regeln is een regelmatig zwak werkwoord dat vaak wordt gebruikt in administratieve en alledaagse contexten (bijv. Regeln aufstellen, etwas regeln).

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichregle
duregelst
er/sie/esregelt
wirregeln
ihrregelt
sie/Sieregeln
ichwerde geregelt
duwirst geregelt
er/sie/eswird geregelt
wirwerden geregelt
ihrwerdet geregelt
sie/Siewerden geregelt
ichregle
duregelest
er/sie/esregle
wirregeln
ihrregelt
sie/Sieregeln
ichwerde geregelt
duwerdest geregelt
er/sie/eswerde geregelt
wirwerden geregelt
ihrwerdet geregelt
sie/Siewerden geregelt
ichwürde regeln
duwürdest regeln
er/sie/eswürde regeln
wirwürden regeln
ihrwürdet regeln
sie/Siewürden regeln
ichwürde geregelt
duwürdest geregelt
er/sie/eswürde geregelt
wirwürden geregelt
ihrwürdet geregelt
sie/Siewürden geregelt
duregel!
ihrregelt!
Sieregeln!