verb
schoonmaken, poetsen
A2
putzen betekent ‘schoonmaken’, ‘poetsen’ of ‘reinigen’, bijvoorbeeld een kamer, voorwerp of tanden. Het is een regelmatig zwak werkwoord; Perfekt met haben: hat geputzt. Niet wederkerend. Ook mogelijk in de betekenis ‘oppoetsen/polijsten’.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich habe das Fenster geputzt.
Ik heb het raam schoongemaakt.
Er putzte sein Fahrrad.
Hij maakte zijn fiets schoon.
Bevor die Gäste kamen, putzte das Personal die Tische, damit alles sauber aussah.
Voordat de gasten kwamen, maakte het personeel de tafels schoon zodat alles er schoon uitzag.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
picture scrubbing a surface with a brush
putz -> 'putz' sounds like English 'putz' (tidy)
n/a