Notruf

noun
noodoproep, alarmoproep
B1

Notruf is een mannelijk Duits zelfstandig naamwoord en betekent ‘noodoproep’ of ‘oproep om hulp’. Meestal gaat het om een dringend telefoontje naar de hulpdiensten, bijvoorbeeld 112. Meervoud: Notrufe. Regelmatige verbuiging met meervoud op -e; vaak gebruikt in veiligheidscontext.

Voorbeelden

Die Nachbarn wählten den Notruf, als Rauch aus dem Fenster aufstieg.
De buren belden het alarmnummer toen er rook uit het raam kwam.
Der Notruf ging bei der Polizei um 3 Uhr morgens ein.
De noodoproep kwam om 3 uur 's ochtends bij de politie binnen.
Sie tätigten einen Notruf, nachdem sie den Unfall bemerkt hatten.
Ze deden een noodoproep nadat ze het ongeluk hadden opgemerkt.

Details

MeervoudNotrufe

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Notrufdie Notrufe
genitivedes Notrufsder Notrufe
dativedem Notrufden Notrufen
accusativeden Notrufdie Notrufe

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die op een telefoon met het label «Notruf» belt om te onthouden dat het om een noodoproep gaat.
👂Notruf klinkt als «note roof» — stel je een briefje op een dak voor als noodsignaal (alarmoproep).
⚧️Der Notruf is mannelijk — stel je een luide, sterke «ruf» (roep) voor om «der» te onthouden.

Opmerkingen

Notruf verwijst naar een telefonisch noodsignaal of noodoproep. Het wordt vaak gebruikt in contexten met politie, brandweer of ambulance.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek