noun
kruis, crucifix
B1
Kreuz betekent ‘kruis’: als teken, vorm of religieus voorwerp. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Kreuz, meervoud die Kreuze, genitief des Kreuzes. Komt vaak voor in samenstellingen en uitdrukkingen zoals kreuz und quer.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
An der Kreuzung müssen Sie ein Kreuz in das Kästchen machen.
Op het kruispunt moet u een kruisje in het vakje zetten.
In der Kirche hing ein Kreuz über dem Altar.
In de kerk hing een kruis boven het altaar.
Ich sehe ein Kreuz am Ende des Weges.
Ik zie een kruis aan het einde van het pad.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een eenvoudig houten kruis in plusvorm voor, staand op een heuvel.
klinkt als ‘cruise’ — stel je een cruiseschip voor met een kruisvlag.
Das Kreuz — denk aan ‘das’ en het korte onzijdige woord zoals ‘das Haus’.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Kreuz is onzijdig. Het kan verwijzen naar een eenvoudig geometrisch kruis of een religieus crucifix; de context bepaalt de betekenis.