Kreis

noun
cirkel, district, gebied
B1

Kreis is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘cirkel’, ‘district’ of ‘kring van mensen’. Lidwoord: der Kreis. Meervoud: die Kreise. Genitief enkelvoud: des Kreises. Veel gebruikt in meetkunde, bestuur en uitdrukkingen als im Kreis sitzen.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Kreis auf dem Papier ist rot gemalt.
De cirkel op het papier is rood geschilderd.
Er wohnt im selben Kreis wie seine Eltern.
Hij woont in hetzelfde district als zijn ouders.
Der Sperrkreis um die Baustelle ist eine abgesperrte Area.
De afzetzone rond de bouwplaats is een afgesloten gebied.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALKreise

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Kreisdie Kreise
genitivedes Kreisesder Kreise
dativedem Kreisden Kreisen
accusativeden Kreisdie Kreise

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een perfecte ronde ring voor die op een kaart is getekend om een district aan te duiden.
👂Klinkt een beetje als 'crease' — stel je een gevouwen papier voor dat een cirkel vormt.
⚧️der — stel je een bord 'der Kreis' op een kaart voor als een mannelijk label.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Kreis kan zowel een geometrische cirkel als administratieve districten of figuurlijke 'kringen' van mensen betekenen.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS