noun
kenmerk, onderscheidend kenmerk, kenteken, nummerplaat
B1
Kennzeichen betekent ‘kenmerk’ of ‘kentekenplaat’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Kennzeichen. Het meervoud is gelijk aan het enkelvoud: die Kennzeichen; genitief: des Kennzeichens. De betekenis hangt af van de context, vooral in administratie en verkeer.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ein wichtiges Kennzeichen dieser Art ist die rote Blüte.
Een belangrijk kenmerk van deze soort is de rode bloem.
Das Kennzeichen des Autos war mir unbekannt.
Het kenteken van de auto was mij onbekend.
Die Polizei stoppte das Auto, weil sie Staub auf dem Kennzeichen entdeckte.
De politie stopte de auto omdat ze stof op de kentekenplaat ontdekten.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een bord of plaat met nummers voor — dat beeld dekt zowel ‘kenmerk’ als ‘kenteken’.
Klinkt als ‘ken’ + ‘sign’ (Kennzeichen ~ ‘bekend teken’).
Das = onzijdig; stel je de plaat voor als een voorwerp (‘das Kennzeichen’).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Kennzeichen kan een onderscheidend kenmerk betekenen of, in alledaagse contexten, het kenteken van een voertuig. De context bepaalt de betekenis.