noun
instrument, muziekinstrument
A2
Instrument betekent ‘instrument’ of ‘muziekinstrument’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Instrument, meervoud die Instrumente. Reguliere verbuiging: des Instruments, den Instrumenten. Gebruikt in muziek en techniek.
Voorbeelden
Der Schüler übte das Instrument, weil er am Abend vorspielen musste.
De leerling oefende op het instrument omdat hij 's avonds moest optreden.
Er spielt ein Instrument in der Band.
Hij speelt een instrument in de band.
Ein Klavier ist ein großes musikalisches Instrument.
Een piano is een groot muziekinstrument.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een viool of gitaar voor als duidelijk beeld van een muziekinstrument
Hetzelfde als het Engelse «instrument»
das: denk aan een neutrale instrumentenkoffer met het label «das Instrument»
Opmerkingen
Meervoud: «Instrumente». Kan verwijzen naar muziekinstrumenten of naar instrumenten/gereedschappen in het algemeen.