noun
hond
A1
Hund betekent ‘hond’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Hund, meervoud die Hunde. Genitief enkelvoud: des Hundes. Het volgt een gewone sterke verbuiging en komt vaak voor in uitdrukkingen en samenstellingen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Familie brachte den Hund zum Tierarzt, weil er verletzt war.
Het gezin bracht de hond naar de dierenarts omdat hij gewond was.
Der Hund spielt im Garten.
De hond speelt in de tuin.
Ich habe einen Hund.
Ik heb een hond.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een hond voor die met zijn staart kwispelt met het label „Hund”.
zoals Engels „hound” zonder de „o”
der Hund — stel je een mannelijke hond (der) voor met een halsband
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Veelvoorkomend mannelijk zelfstandig naamwoord. Meervoud: «Hunde».