noun
vloeistof, vloeistof
B1
Vrouwelijk zelfstandig naamwoord: Flüssigkeit betekent ‘vloeistof’ of ‘vloeibare stof’, dus iets dat stroomt. Meervoud: Flüssigkeiten. Afhankelijk van de context kan het telbaar of niet-telbaar zijn. Veelgebruikt in wetenschap, techniek en het dagelijks leven.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Dieses Medikament mit viel Flüssigkeit einnehmen.
Neem dit medicijn in met veel vloeistof.
Die Flüssigkeit ist klar und geruchlos.
De vloeistof is helder en geurloos.
Der Techniker entfernte die Flüssigkeit, die aus dem Behälter austrat, bevor sie den Motor beschädigte.
De technicus verwijderde de vloeistof die uit de container lekte voordat die de motor beschadigde.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een heldere vloeistof voor die uit een fles stroomt en in de straal het woord 'Flüssigkeit' vormt.
Denk aan 'flu-ssi-gkeit' -> 'fluid' (vergelijkbare Engelse wortel).
Die Flüssigkeit — vrouwelijk: stel je voor dat je 'een delicate' vloeistof schenkt, dus 'die'.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Vaak gebruikt in wetenschappelijke, medische en alledaagse contexten. Meervoud: Flüssigkeiten. Kan elke stof in vloeibare toestand aanduiden.