draußen

adverb
buiten, naar buiten
A1

Bijwoord van plaats: „buiten”, „naar buiten”. Het geeft aan dat iemand zich buiten een gebouw of in de open lucht bevindt, vaak met sein of bleiben: draußen sein, draußen bleiben. Spelling met ß.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Es ist kalt draußen, nimm eine Jacke mit.
Het is koud buiten, neem een jas mee.
Wir essen heute draußen im Garten.
We eten vandaag buiten in de tuin.
Die Kinder spielten draußen, obwohl es am Abend sehr kalt war.
De kinderen speelden buiten, hoewel het ’s avonds erg koud was.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

Typelocal

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je voor dat je een deur opent naar frisse lucht en ‘draußen!’ zegt.
👂Denk aan ‘droughts in’ om buiten/buitenlucht te onthouden (visuele haak).

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

„draußen” wordt gebruikt voor buiten zijn (tegenover „drinnen”).

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS