verb
afkomstig zijn, oorspronkelijk komen uit, afstammen van
B1
stammen betekent ‘afkomstig zijn van’ of ‘afstammen van’. Het is een regelmatig, niet-wederkerend werkwoord met haben in het perfekt: habe gestammt. Meestal staat het met aus: Ich stamme aus Berlin. Soms ook met von. Niet scheidbaar.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Meine Familie stammt aus Italien.
Mijn familie komt uit Italië.
Diese Tradition stammt aus dem 18. Jahrhundert.
Deze traditie stamt uit de 18e eeuw.
Die Dokumente stammten aus dem 19. Jahrhundert, obwohl einige Seiten moderner wirkten.
De documenten stamden uit de 19e eeuw, hoewel sommige pagina's moderner leken.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een stempel op een stamboom voor die laat zien waar een familie vandaan komt — dat is «stammen».
Denk aan ‘stamp men’ — stel je voor dat je een paspoort stempelt om de herkomst te markeren.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Onovergankelijk werkwoord dat vaak wordt gebruikt met «aus» + plaats of herkomst. Regelmatig zwak werkwoord, voltooid deelwoord «gestammt». | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.