verb
schudden, heen en weer schudden
B1
schütteln betekent ‘schudden’ en komt ook voor in den Kopf schütteln: ‘het hoofd schudden’ als teken van afwijzing of ongeloof. Het is een regelmatig zwak werkwoord, niet scheidbaar en niet wederkerig. Perfekt met haben: hat geschüttelt; voltooid deelwoord: geschüttelt.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich schüttle den Kopf.
Ik schud mijn hoofd.
Der Fahrer schüttelte den Kopf, als er die schlechte Nachricht hörte, sodass die Kollegen merkten, dass etwas nicht stimmte.
De chauffeur schudde zijn hoofd toen hij het slechte nieuws hoorde, zodat de collega’s merkten dat er iets niet klopte.
Er schüttelte die Flasche.
Hij schudde de fles.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die een fles schudt totdat de inhoud mengt.
Klinkt als «shoot-tell» — stel je voor dat je snel praat terwijl je schudt.
n/a
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Regelmatig zwak werkwoord, niet-scheidbaar. Vaak gebruikt in fysieke en gebarende contexten (bijv. het hoofd schudden).