noun
stage, praktijkstage, werkervaringsplek
A1
Praktikum betekent ‘stage’ of ‘praktische opleiding’, vaak voor studenten. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Praktikum. Meervoud: Praktika, een ongewone -a-vorm. Veelgebruikte uitdrukking: ein Praktikum absolvieren. Betaald of onbetaald mogelijk.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Student begann ein Praktikum, obwohl er nur wenig Erfahrung besaß und die Aufgaben anspruchsvoll waren.
De student begon aan een stage, hoewel hij weinig ervaring had en de taken veeleisend waren.
Sie macht ein Praktikum in einer Werbeagentur.
Ze loopt stage bij een reclamebureau.
Das Praktikum dauert drei Monate.
De stage duurt drie maanden.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een student voor op kantoor met een badge waarop ‘Praktikum’ staat.
Klinkt als het Engelse ‘practicum’ — praktische werkervaring.
das (onzijdig): stel je een neutraal stagecertificaat voor met de titel ‘das Praktikum’.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Gebruikelijk in onderwijs- en werkcontexten; het meervoud is «Praktika».