verb
ordenen, schikken, sorteren
B1
ordnen betekent ‘ordenen’, ‘rangschikken’ of ‘op orde brengen’. Het is een regelmatig werkwoord, niet scheidbaar en niet wederkerig. Voltooid deelwoord: geordnet; hulpwerkwoord: haben. Je gebruikt het voor spullen, dossiers, gedachten of situaties: die Akten ordnen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich ordne die Dokumente im Büro.
Ik orden de documenten op kantoor.
Sie ordnete die Dokumente.
Ze ordende de documenten.
Die Sekretärin ordnete die Unterlagen, damit der Direktor die Informationen schnell finden konnte.
De secretaresse ordende de documenten zodat de directeur de informatie snel kon vinden.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat je dossiers in een nette stapel legt — 'ordnen' = ordenen.
Klinkt als het Engelse 'order', wat helpt om 'ordnen' = ordenen / op orde brengen te onthouden.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Een regelmatig zwak werkwoord dat wordt gebruikt om dingen te ordenen, rangschikken of sorteren. Het is niet scheidbaar en gebruikt 'haben' in de voltooide tijden.