noun
motor, motorblok
A2
Motor is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „motor” of „aandrijfmotor”. Meervoud: Motoren. Genitief enkelvoud: des Motors. Het kan gaan om een auto- of elektromotor. Regelmatige verbuiging; veel gebruikt in technische context.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Fahrer sagte, dass der Mechaniker den Motor reparierte, bevor die nächste Fahrt begann.
De chauffeur zei dat de monteur de motor repareerde voordat de volgende rit begon.
Der Motor des Autos ist neu.
De motor van de auto is nieuw.
Der Motor startet nicht.
De motor start niet.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een automotor voor met het label «der Motor» erop
klinkt als het Engelse «motor» — dezelfde betekenis
der — stel je een mannelijke monteur voor die aan de motor werkt
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Meervoud meestal «Motoren». Gebruikt voor motoren in auto’s, machines en soortgelijke apparaten.