A1

Lidwoorden (Artikel) — De Trouwe Metgezellen 🤝

Lidwoorden geven het geslacht en de naamval van een zelfstandig naamwoord aan. Er zijn bepaalde lidwoorden (der, die, das) en onbepaalde lidwoorden (ein, eine). Omdat de woorden zelf zelden veranderen, is het lidwoord cruciaal voor de grammatica.

Infographic die de Duitse bepaalde (Der/Die/Das) en onbepaalde (Ein/Eine) lidwoorden laat zien en hun belang uitlegt.

Lidwoorden zijn de kleine woordjes die vóór een zelfstandig naamwoord staan.
In het Duits zijn ze superbelangrijk omdat ze informatie geven over het geslacht en de naamval. Zonder lidwoord weet je in het Duits vaak niet wie wat aan wie doet in een zin.

1. Bepaalde lidwoorden (De/Het) 🎯

Wanneer je het over een specifiek ding of persoon hebt.

  • Der Mann (De man - Mannelijk)
  • Die Frau (De vrouw - Vrouwelijk)
  • Das Kind (Het kind - Onzijdig)
  • Die Kinder (De kinderen - Meervoud)

[!CAUTION]
Meervoud is altijd DIE!
Ongeacht het geslacht in het enkelvoud, wordt het in het meervoud altijd die. Dit is net als in het Nederlands, waar we voor elk meervoud 'de' gebruiken (de mannen, de vrouwen, de kinderen).

  • Der Hund -> Die Hunde
  • Das Auto -> Die Autos

2. Onbepaalde lidwoorden (Een) 🤷

Wanneer je het over zomaar een ding hebt, niet een specifieke.

  • Ein Mann (Een man)
  • Eine Frau (Een vrouw)
  • Ein Kind (Een kind)

Let op: Ein wordt gebruikt voor zowel Mannelijk als Onzijdig!

3. Ontkennende lidwoorden (Kein) 🚫

Het Duits heeft een speciaal woord voor "geen". Het verbreekt de vorm van Ein.

  • Ich habe ein Auto. -> Ich habe kein Auto. (Ik heb geen auto).
  • Ich habe eine Katze. -> Ich habe keine Katze. (Ik heb geen kat).

4. De verandering (Declinatie) 📉

Lidwoorden veranderen als de naamval verandert. Zo geeft het Duits de rol in de zin aan.

  • Der Mann (Nom) isst den Apfel (Acc).
  • Die Frau (Nom) hilft dem Kind (Dat).

👉 Meer weten?: Kijk bij het Naamvallensysteem.

5. Het nul-lidwoord (Nullartikel) 👻

Soms gebruiken we helemaal GEEN lidwoord. Dit komt vaak overeen met het Nederlands.

  1. Beroep/Nationaliteit: Ich bin Arzt. (Ik ben arts). Er ist Deutscher.
  2. Ontelbare stoffen: Ich trinke Wasser. (Ik drink water). Ich mag Reis.
  3. Steden/Landen: Ich wohne in Berlin. (Uitzonderingen: Die Schweiz, Die Türkei).
  4. Abstracte concepten: Ich habe Hunger. (Ik heb honger). Ich habe Angst. (Ik ben bang).

Ich wohne in Berlin und trinke gerne Bier. (Helemaal geen lidwoorden nodig!).

Zie ook...

🎯

Klaar om te oefenen?

Master Der, Die, Das!

Start quiz